Adoptie of Kindschap?

In deze overdenking zou ik met u van gedachten willen wisselen over de vraag of adoptie wel een goed woord is om te beschrijven wat God met ons gedaan heeft.

Ik zou het fijn vinden als u zou reageren op deze gedachtewisseling. Daar leer ik van bij, wat altijd mijn doel is.

Ik weet dat de apostel Paulus in Galaten 4:5 spreekt over:

“de aanneming tot kinderen” (HSV),

“het recht van zonen” (NBG),

“zijn kinderen … worden” (NBV),

“de status van kinderen … ontvangen” (GNB),

“God wil ons als zijn eigen kinderen aannemen” (BGT),

“de aanneming tot kinderen” (SV1977),

“de rang van zonen … verkrijgen” (WV2012).

Alle termen die hierover spreken, kunnen we samenvatten als ‘adoptie door God.’

Maar het woord ‘adoptie’ of ‘aanneming’ blijft voor mij altijd de bijklank houden van: je hebt dan wel alle rechten en de status als kind van je adoptieouders, je ontvangt hun achternaam en later ontvang je een erfenis samen met de eigen kinderen, maar je wordt nooit een ECHT, lijfelijk kind van die nieuwe ouders. Dat is biologisch gezien gewoon onmogelijk!

Ik stel nu dat God dat anders heeft aangepakt: wij zijn door Jezus Christus echte kinderen van God.

De apostel Johannes zegt dat bijvoorbeeld heel duidelijk in 1 Joh. 3:1: “Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent.” Wij worden niet alleen zo genoemd en zijn het dus in naam, maar WIJ ZIJN HET (OOK)! Maar je leest er zo snel overheen als je niet de rest van de brieven van de apostelen erbij neemt èn erover mediteert!

Het soort aanneming dat God gedaan heeft, gaat zoveel verder dan ons alleen maar de status en dezelfde rechten geven als Zijn Zoon.

Wat is namelijk het geval?

  1. vóór de grondlegging der wereld waren u en ik al uitverkoren om Hem in Zijn liefde te weerspiegelen (Ef. 1:4),
  2. vóór eeuwige tijden heeft God ons al genade gegeven (2 Tim. 1:9),
  3. toen Jezus op aarde wandelde, was onze nieuwe mens die wij gingen worden, al in Hem,
  4. U en ik waren in Hem toen Hij zieken genas, melaatsen reinigde, blinde ogen en dove oren opende, demonen uitdreef,
  5. onze oude mens is medegekruisigd (Rom. 6:6),
  6. wij zijn met Hem begraven door de doop in de dood (Rom. 6:4),
  7. wij zijn mede opgewekt (Ef. 2:6),
  8. wij zijn mede levend gemaakt (Ef. 2:5),
  9. wij hebben in Hem mede een plaats gekregen in de hemelse gewesten (Ef. 2:6),
  10. wij zijn met Hem verheerlijkt (Rom. 8:30),
  11. Zijn maaksel zijn wij in Christus Jezus geschapen (Ef. 2:10),
  12. door de opstanding van Jezus Christus uit de doden zijn wij wedergeboren (1 Pet. 1:3),
  13. Wie zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem) (1 Kor. 6:17),
  14. God is Geest en … (Joh. 4:24).

Het bovenstaande samengevat: aan het kruis van Golgotha werd mijn oude mens, die één en al zonde was, één gemaakt met mijn nieuwe mens die in Christus Jezus was, en Jezus mijn Heer stierf aan de gevolgen van die eenwording. Toen God Zijn Zoon opwekte, wekte Hij mij mede op en ik onderging ook alles wat daarop volgde, met inbegrip van de verheerlijking. Dat was voor God één en dezelfde daad: Hij hoefde Zich niet na ongeveer 1944 jaar plotseling te realiseren dat Hij vergeten was mij ook op te wekken: ‘Och, ben Ik die Jack (… vul uw eigen naam hier in …) toch vergeten!!!’ Toen Hij Jezus opwekte, wekte Hij u en mij op.

Toen ik Jezus in de zomer van 1977 aannam (ik geloofde eerder ook al in Hem, maar in 1977 heb ik mij laten dopen en heb ik mijn geloof in Hem eigenlijk pas bevestigd en met mijn doop bezegeld), werd ik wederomgeboren ‒ geboren uit den hoge, zoals het Grieks het zegt ‒ en toen kwam dat leven dat tot op dat moment in Hem had liggen wachten, in mij. De eenwording was een feit. En nu hecht ik mij aan Hem en ben ik één geest met Hem.

Als er een electronen microscoop bestond waar ik mijn geest onder kon leggen en bekijken, dan zou je van geen enkel punt kunnen zeggen: ‘Kijk, dat punt is van Jezus en dat ernaast is van Jack.’ Het Griekse woord voor ‘één’ in 1 Kor. 6:17 betekent ‘één en dezelfde’.

Ik ben in mijn geest volstrekt ééngemaakt met Jezus. En aangezien God Zelf Geest is, ben ik in mijn geest een zoon van God. Als ik geest ben, en God is Geest, dan ben ik een volwaardige ‘lijfelijke’ geestelijke zoon van God!!!

Door de huidige stand van de wetenschap zegt ons het begrip ‘klonen’ wel iets, denk ik. Wij zijn er helemaal niet meer over verbaasd dat het mogelijk is een schaap of ander dier te klonen. In zeker zin zijn wij ‘kloontjes’ van Jezus Christus; zoals Eva uit Adams zijde genomen werd, zijn wij uit Jezus’ zijde genomen, dichtbij Zijn hart waren wij ‒ wij lagen Hem aan het hart, Hij gaf om ons ‒ waar ook de speer in Zijn lichaam binnenging.

Was Eva een kloon van Adam, nadat zij uit diens zijde genomen en gebouwd was tot een vrouw (Gen. 2:22)? In zeker zin wel. Maar Eva zat al in Adam, toen Adam geschapen werd. Ik denk dat zij altijd al in de planning was, toen God Adam schiep. God nam een rib uit Adams lijf, die rib was been van zijn been, en God bouwde die rib tot een vrouw. Adam en Eva waren al één toen Adam nog alleen was en onder de dieren zocht naar een metgezel.

Zo waren u en ik ook al één met Jezus Christus toen Vader, Zoon en Heilige Geest nog alleen waren.

En toen al kregen u en ik genade om een kind van Hem te worden. “Hij heeft ons zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet overeenkomstig onze werken, maar overeenkomstig Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen, … .” Als God ons die genade gaf in Christus Jezus, waren wij toen toch al in Hem, of niet?

Handelingen 13:32-33 (HSV): En wij verkondigen u de belofte die aan de vaderen gedaan is, namelijk dat God die vervuld heeft aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken, 33zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.” Toen God Jezus “verwekte,” of: “opwekte” (NBG), verwekte Hij ons. En bij ‘verwekken’ moet je spreken van ECHT kindschap.

In de geest natuurlijk wel! Mijn ziel wordt behouden doordat ik met zachtmoedigheid Gods Woord ontvang, dat mijn ziel kan behouden (Jak. 1:21).

Als gelijkenis voor wat God voor en aan ons gedaan heeft, wordt nogal eens het volgende tafereel gebruikt:

En rechter staat op het punt vonnis te vellen over een beklaagde en vraagt hem op te staan om het vonnis aan te horen. Alle oren zijn gespitst, van zowel aanklager als verdediger als toeschouwer. De beklaagde gaat staan en de rechter doet zijn mond open om het vonnis voor te lezen. Op dat moment springt er een van de toeschouwers overeind en roept: ‘Edelachtbare, ik neem de schuld èn de straf op mij als deze vrijuit mag gaan!’ De rechter is met stomheid geslagen, want hij wilde een doodvonnis uitspreken, en beseft wat de toeschouwer net heeft gezegd zonder zelfs maar te horen wat de straf was! Hij legt zijn papier neer, en zegt: ‘Oké, goed dan, zoals u wilt. Laat de beklaagde gaan, hij ontvangt geen straf! De straf is voor de persoon op de tribune die zich daarvoor heeft aangeboden.’

Dat heet de ‘grote omwisseling.’

Er is natuurlijk geen enkele rechter op heel deze aarde te vinden die hiermee zal instemmen. Want dan loopt nl. een schuldige misdadiger vrij rond, om nog maar te zwijgen van een onschuldige die omgebracht wordt. Dit strijdt met elke rechtsgang en de opvatting van elk weldenkend mens.

En de Almachtige, absoluut rechtvaardige God? Hoe denkt Hij over zoiets? Dit kan gewoon niet.

Maar u hebt in de Bijbel toch wel gelezen dat wie gestorven is, ‘rechtens vrij’ of ‘gerechtvaardigd’ is van de zonde (Rom. 6:7), dat wij met Hem gestorven zijn (Rom. 6:8, 2 Tim. 2:11), dat één voor allen gestorven is, dus zijn zij allen gestorven (2 Kor. 5:14), dat wij met Hem begraven zijn door de doop in de dood (Rom. 6:4), en dat daarom de zonde en de dood geen heerschappij meer voeren over Hem en dus ook over mij (Rom. 6:9)?

Hij en ik werden zo één gemaakt, dat Hij en ik samen stierven waardoor wij vrijuit gaan.

Wij zijn meer dan alleen maar aangenomen kinderen. Wij zijn vlees van Zijn vlees en been van Zijn been, zoals Eva dat was van de eerste Adam.

Oké, maar het wordt alleen werkelijkheid als ik mijn kruis draag en vervolgens mijn kruis mij gaat dragen ‒ omdat ik er dan aan hang!