De grondlegging der wereld

Je hoort predikers wel vaker zeggen: ‘God is goed!’

Maar vertellen ze er ooit bij, of proberen zij aan te geven, hoe goed Hij is?

Daarom het onderstaande verhaal.

Het is gebaseerd op drie Bijbelteksten, en wel:

  1. Hebreeën 13:20: “De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, … .”
  2. Hebreeën 9:14: “… hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!”
  3. Openbaring 13:8: “En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, althans van wie de namen niet zijn geschreven in het boek des levens van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld af.”

Wat ik wil illustreren met het onderstaande verhaal is dat er een verbond bestond tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en wel vanaf de grondlegging der wereld, dat indien het fout zou gaan na de schepping van de mens, Hij, de Zoon, naar de aarde zou komen om de mens te verlossen.

Ik heb mij namelijk jaren geleden afgevraagd wat de diepere zin is van de drie hierboven genoemde teksten en hoe zij bij elkaar passen en licht werpen op de geestelijke werkelijkheid achter het Woord van God. Ik heb toen alles ‘bij elkaar geveegd’ wat ik op dat moment over God wist en dit verhaal bedacht.

Ik kan natuurlijk niet bewijzen dat het zo gegaan is, maar het verhaal brengt wel duidelijk naar voren wat de ware aard van God is. Dat is vooral wat u ervan moet meenemen.

Stel u een moment in het verleden voor toen er nog niks was. Alleen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bewonen een paleis waarin volmaakte harmonie en vrede heersen. Nooit onenigheid, altijd overeenstemming met de plannen en wil en bedoelingen van de Vader. Ik zeg ‘moment’, maar er was nog geen tijd. Dat is pas veel later gekomen. Zij leefden met hun Drieën in een eeuwig ‘nu.’

En op dat ‘moment’ komt de Vader de troonzaal van het paleis binnen, waar de Zoon al enige tijd in afwachting verkeert van de terugkomst van de Vader. Daar zullen zij dan weer in volmaakte harmonie Elkaars liefde voor Elkaar met Elkaar delen.

De Vader komt binnen en zegt: ‘Zoon, Ik wil je wat laten zien.’ Hij acht namelijk het ‘moment’ gekomen om Zijn plannen met de Zoon te delen. De Heilige Geest is ook wel aanwezig, maar speelt gewoontegetrouw geen rol op de voorgrond. Hij is bescheiden en wacht af wat er precies gaat gebeuren.

Wanneer de Vader die woorden spreekt, keert de Zoon Zich vol enthousiasme naar Hem toe en Zijn ogen volgen Hem naar een grote kast die tegen de muur van de troonzaal staat.

De Vader haalt er een grote perkamentrol uit en loopt bezadigd maar vastberaden naar de tafel die naast de troon staat.

De Zoon, Die niet kan wachten om te zien wat de Vader aan Hem wil tonen, loopt ook in de richting van de tafel en draait om Zijn Vader heen, en verdringt Hem bijna in Zijn poging om te zien wat voor spannends de Vader bedacht heeft.

Langzaam ontrolt de Vader de perkamentrol en gaat aan de tafel zitten.

De Zoon laat vol verwachting zijn ogen over de afbeeldingen op de rol glijden. De enthousiaste verwachting is Hem op het gezicht af te lezen. Op de rol staan in de vorm van tekeningen de plannen uitgebeeld die de Vader bedacht heeft voor Zijn scheppingsplan.

De Zoon Zijn blik gaat over de rol en Hij staat hier en daar stil bij wat er in de tekeningen afgebeeld staat. Hij kan zijn verbazing nauwelijks onderdrukken en slaakt nu en dan een ‘O, …’ of een ‘A, … .’ Wat is het mooi wat de Vader van plan is te gaan maken!

Naarmate Hij de tekeningen in Zich opneemt, lijkt Zijn verbazing wat af te nemen, totdat Hij komt bij een gedeelte waar de vrije wil van de mens, die God gaat scheppen, staat weergegeven: dan wordt het plotseling heel stil. De Zoon kijkt naar de Vader, dan naar de tekening, en weer terug naar de Vader.

Er welt een groot verdriet in Hem op. Zo groot dat Hij Zijn Vader niet meer kan aankijken. Hij staart recht voor Zich uit en lijkt een vergezicht te zien. Hij stelt Zich voor wat de gevolgen kunnen zijn van die vrije wil.

De Vader kan Hem de vraag die dit oproept, niet met woorden stellen, want het zou een ongehoorzaamheid betekenen als Hij er negatief op zou antwoorden. Een ongehoorzaamheid die de harmonie die er in de hemel altijd heerst, zou doorbreken. Ook moet Hij het besluit Zelf, zonder dwang, nemen, want als het niet uit Zijn eigen hart voortkomt, zou het niet echt zijn.

Nog terwijl Hij voor Zich uit staart, knikt Hij en zegt, in het besef van hoe geweldig Vaders plannen zijn: ‘Ja, Vader, als zij die vrije wil misbruiken, zal Ik de mens gaan verlossen!’ en bezegelt Zijn besluit met een vastberaden blik naar Zijn Vader.

Het eeuwige verbond tussen Vader, Zoon en Heilige Geest is hiermee gesloten en niets kan Hen daar nog vanaf brengen. Een eens gegeven woord, blijft gegeven. Het besluit staat vast. Zo zeker alsof het met een diamanten pen gegrift is in een steen. God waakt over Zijn Woord om het te doen (Jeremia 1:12).

En Hij is getrouw! Want Hij is de waarheid!!