Hello, World!

Hello World! It’s me, Jack!!

Ik wil op deze pagina getuigen van mijn leven met God en hoe ik het ervaren heb en nog ervaar.

Mijn getuigenis begint in december 1969. Ik studeerde wiskunde aan de Technische Hogeschool in Eindhoven, wat nu de TU/e is, de Technische Universiteit Eindhoven. Een paar Jehovah’s getuigen verkochten mij een Bijbel, hun Bijbel, een Nieuwe Wereld Vertaling, en ik begon van voren af aan erin te lezen. Het was mijn eerste kennismaking met de Bijbel. Genesis was mooi.

Toen ik bij het boek Exodus kwam, waar de wet beschreven staat die God aan Mozes gaf, werd ik, zo besefte ik achteraf, eigenlijk verliefd op de Persoon van Jezus Christus.

In Jesaja 42:21 staat: “De Here had er behagen in ter wille van zijn gerechtigheid een grote, heerlijke onderwijzing te geven.” Eigenlijk beschrijft God in de wet hoe Hij Zelf is.

Mijn studie mislukte omdat ik na een jaar met Jehovah’s getuigen van deur tot deur wilde gaan om het Goede Nieuws te verkondigen. Wist ik veel dat wat zij leren niet klopt?!

Ik moest van mijn ouders naar huis komen en heb drie jaar geleefd met twee volwassenen die zich uit alle macht tegen mij verzetten, omdat ik met de leer van Jehovah’s getuigen bezig was.

Dat resulteerde na 3 jaar in een overspannenheid, die mij op afdeling 1 van het ziekenhuis in Sittard deed belanden. Na een verblijf daar van 2 maanden kwam ik naar huis, maar ik was niet mijzelf. Mijn emoties waren een ‘flatline’: ik voelde niets, ik dacht aan niks. Ik was a.h.w. ‘dood’ van binnen. Wat niet verwonderlijk was, want als je drie jaar met alleen maar spanningen en vijandigheid leeft, schakelt alles van binnen gewoon af.

Die toestand heeft drie jaar geduurd. Aan het eind van die drie jaar vol tegenstand was ik alleen thuis, ik had het rijk alleen. Mijn ouders waren op vakantie. Het was een moment dat ik tot mijzelf kwam. Maar ik kwam ook tot de Heer. Ik zei tegen Hem, want ik geloofde nog steeds: ‘Heer, wilt U mij vergeven wat ik de laatste jaren allemaal fout gedaan heb?’

Mijn gevoelens kwamen terug, ik dacht weer aan dingen en ik kon huilen.

Maar een goede vier maanden later was ik alles weer kwijt. Ik had in september een baan gekregen aan een school waar ik een vijfde klas havo kreeg, met daarin 19-jarigen: nauwelijks ouder dan ikzelf was. Bovendien was ik helemaal niet bevoegd voor het onderwis dat ik hun moest geven.

Het heeft tot 1977 geduurd eer ik opnieuw contact maakte met God.

Ik ben in dat jaar op vakantie gegaan naar familie in de V.S. Mijn nicht en haar man vertelden mij over hun ervaringen en hoe de dood van hun peuter de aanleiding was geweest van hun bekering.

Wat mij vooral is bijgebleven van het getuigenis van haar echtgenoot, was dat hij zei: ‘Als God je iets geeft, dan is het van jou. Dan neemt hij het je daarna niet weer af!’ Mijn reactie was: ‘Dat is niet mijn ervaring.’ Ik was namelijk alles op het gebied van geloof en geloven kwijtgeraakt door alle perikelen met Jehovah’s Getuigen.

Zij nodigden mij uit om de woensdag daarna met hun mee te gaan naar een kerkdienst. Ik zei hun: ‘Ik heb in de kerk niets verloren en ga er ook niks zoeken!’ Het gesprek eindigde niet op die eerste zondagmiddag toen ik net bij hun was aangekomen: zij waren vol van hun geloof en wilden het met mij delen. Ik ben toch meegegaan de woensdag daarna en ik maakte kennis met een jonge predikant, jonger dan ikzelf was, en dat maakte een oud verlangen in mij wakker: het Woord van God prediken. Ik dacht: Waarom hij en ik niet?

Een eerste gesprek met hem leverde als resultaat op dat ik mij door hem heb laten dopen, d.w.z. onderdompelen in water. Ik was stomverbaasd toen ik hem vroeg of ik gedoopt kon worden en hij daarop antwoordde: ‘Ja, dat kan.’ Bij Jehovah’s getuigen moet je namelijk eerst een cursus doorlopen voordat dat kan.

Drie weken later vertrok ik gedoopt en wel naar een andere plek in de V.S. om daar de laatste week door te brengen voordat ik terug zou vliegen naar Europa. We schrijven 1977.  Ik kreeg als enige advies mee: ‘Vanaf nu moet je elke dag een kwartier in je Bijbel lezen en een kwartier bidden.’ Echter, ik heb in de eerste paar jaar daarna tot twee keer toe uit pure frustratie een Bijbel in 100 stukken gescheurd.

Ik las er namelijk in over dingen die ik wel geloofde maar op geen enkele manier in mijn handel en wandel terugzag: hoe kon de Bijbel waar zijn ‒ wat ik wel geloofde ‒ als ik van de verlossing in de praktijk van mijn leven totaal niets merkte? Dat is sindsdien mijn grootste strijd en zoektocht geweest: mijn twijfel of de verlossing wel echt waar is, hoe zit de verlossing in elkaar en hoe ben ik behouden, als door vuur heen, met weinig loon, met veel loon (1 Korinthe 3:14-15)? Want ik wilde loon voor Hem Die mij verlost had, Die Zijn leven voor mij gegeven had!

Het heeft geduurd tot begin 1982 eer ik een voorganger van een gemeente leerde kennen die mij opving, mij bemoedigde, met mij bad en me enigszins in het Evangelie opvoedde.

Ik was vanuit de V.S. naar Nederland teruggekeerd met het vage idee dat ik op zijn minst een huisgroep zou starten en als het effe kon, zou die huisgroep uitgroeien tot een kerk met 150 leden. Daar is nooit iets van in huis gekomen, want ik wist niks over het ware Evangelie en had een intellectuele achtergrond, wat ook weer een belemmering vormde.

‘Mine has been a long and winding road’ = Ik heb een lange slingerweg gevolgd om te komen waar ik nu ben, en de denkwijze uit die begintijd speelt mij nog steeds parten!

Ik ben evenwel in die eerste 6 jaar na januari 1982 enorm door de Heer gezegend. Ik dacht toen dat Hij mij de tijd vergoedde die ik gemist had, maar nu ik anno 2019 terugkijk, weet ik beter! Hij heeft mij in die zes jaar voorbereid op de periode van 14 jaar die ik nog voor de boeg had.

Wat is er namelijk gebeurd? Begin 1988 ben ik kwaad uit die gemeente weggegaan, heb korte tijd in een andere gemeente vertoefd, ben daar weer weggegaan en er ook weer teruggekeerd, om vervolgens naar een derde gemeente te gaan, waar een nieuwe Amerikaanse voorganger (afgestudeerd op Rhema Bible College) kwam. Deze voorganger vertrok na twee jaar weer en ik stond er ‘alleen’ voor. Ik heb dat acht jaar volgehouden en ben daar weggevlucht om terug te gaan naar mijn eerste kerk.

In september 2001 (een week na ‘nine eleven’) was ik terug in die eerste gemeente en dacht: Ik doe NOOIT meer iets voor de Heer, want ik heb bewezen dat ik er toch niks van bak.

Maar als je Jezus kent ‒ Hij begon mijn hart te bewerken en het werd weer week voor Hem, ik zwichtte weer voor de zegen. Zo is Hij: Hij wint je terug, Hij trekt aan je hart, en op een gegeven moment kun je toch niet meer ‘nee’ zeggen.

In die gemeente ben ik op dit moment (juli 2019) nog steeds, maar ik doe er niet veel. Ik wil trouw zijn in de dingen die ik kan bijdragen, meer niet.

Het grootste verwijt dat ik mijzelf maak, is dat ik al Zijn aanrakingen, zegeningen, de gezichten en belevenissen, enz., enz. nooit tot één geheel heb weten om te zetten om een bloeiende en nuttige bediening voor Hem te hebben en mensen voor Christus te winnen.

Maar mijn probleem is natuurlijk dat ik een bezig baasje ben, en nog steeds denk veel met mijn eigen intellect te kunnen. Ik ben ijverig, studeer, bid en span mij in. Maar ik weet dat God mijn ‘zweet’ niet wil. De priesters in het Oude Testament mochten ook geen zweetverwekkende kleding dragen. God houdt meer van de geur van verbrand vlees dan die van menselijk zweet! En als die gedachte mij stoort, dan weet ik dat ik mij moet bekeren! Dat ik mij aan Hem moet aanpassen en dat dat andersom nooit zal gebeuren!! Hij is God en ik ben het niet!!!

Eigenlijk ben ik behalve een ‘bezig baasje’ ook nog een ‘bazig baasje’: het moet op mijn manier en mijn tijd en langs mijn weg gaan.

Maar de vele aanrakingen en zegeningen waar ik op kan terugvallen en die mij bemoedigen, zijn wel de gedenkstenen in mijn leven. Ik heb er een stuk of 25, zo langzamerhand een muurtje waar ik mij achter kan verschuilen als het moeilijk wordt, als de twijfels mij naar de keel grijpen, ‘when the going gets tough.’

En u kent de uitdrukking wel: ‘It is when the going gets tough that the tough get going!’ Maar soms is het zwaar ploegen en 24 ossen lijken dan nog niet genoeg.